Verhaal opgedragen aan Roosje

Schrijfster Joke de Meyer is in de rouw vanwege het overlijden van haar hond Roosje. Haar verdriet is intens maar ze wil toch het eerste deel van haar nieuwe boek juist nu publiceren. Een eerbetoon voor Roosje.

In de ban van de stroman/1

Gele maïskolven worden geaaid door een zuiders aanvoelende bries. De wind lijkt hen alert te houden in het besloten, kaki bladerlabyrint. De uitgestrekte velden vormen net eindeloze, plantaardige garnizoenen met immobiele soldaten, die vastberaden strijden voor moeder natuur. Voor de landbouwers is dit een tijdloos, decoratief kunstwerk waarmee ze in hun levensonderhoud voorzien. Maïs is een graangewas dat onmisbaar is bij vele voedselsamenstellingen.
Voor passanten levert dit beeldige, zomerse taferelen op. En men voelt zich als het ware beschut door een uitgestrekt scherm, een buigzaam schild, tegen wispelturige windstoten en ongewenste gluurders. Tegelijk boezemt de dichtbegroeide struikenmassa angst in, zeker omdat er wilde verhalen de ronde doen. Wie of wat kan zich niet verschuilen in deze bijna ondoorwaadbare plantage? Denk ook maar aan de fameuze graancirkels, die tot de archetypische verbeelding spreken. Zou er echt buitenaards leven zich hier even genesteld hebben als reizende speurder, in de vorm van een gelande, reusachtige en hoogtechnologische drone?

Wie zichzelf doorheen de woekerende substantie waagt, kan zijn weg snel verliezen. De echte duisternis bevindt zich tussen de wirwar van takken en bladeren. En deze doolhof kan verstikkend zijn voor de ademhaling. Het lijken wel vleesetende monsters die je meedogenloos opslorpen. In ieder geval, de planten spreken tot de verbeelding, ze zijn dit seizoen terug vastberaden in opmars om akkers te veroveren. Tegelijk staan ze symbool voor vruchtbaarheid van de weilanden. De Beltane-feesten hebben de goden terug behaagd.

Laat ons even aarden in deze wervelende gedachtestroom, het is ondertussen vrijdagavond geworden, de maand juli opent het rijk van zoemende bijen en kwetterend gevogelte…

Een jong koppel slentert langs de meanderende wandelpaden. Ken en Jasmine hebben hun verloving gevierd en tellen af naar het officiële huwelijk. Na een intiem etentje in de lokale taverne van het kleine dorpje rond Gent, besluiten ze nog een korte wandeling te maken vooraleer ze terugkeren naar het hotel waar ze logeren. Ken is een aantrekkelijke twintiger met zwart haar, groot van gestalte en in zomerse outfit: witte t-shirt en short met sandalen. Hij geniet van het gezelschap van zijn charmante vriendin Jasmine. Deze draagt haar bruine haar in een nonchalante dot en straalt in een beige zomerjurk met eenvoudige slippers. Een hip bij elkaar passend duo dus. De omgeving is rustgevend en staat in fel contrast met de hectische stadsdrukte die ze dagelijks gewoon zijn. Ze laten zich de zwoele zomeravond welgevallen. Enkel het geluid van een popmuziekband weergalmt op de achtergrond en dit neemt verder af in decibels bij iedere stap. Licht beneveld halen ze vroegere herinneringen boven. Ze schateren van het lachen en nemen speels elkaars hand vast.

“Ik vond dat de baas van de taverne nogal verleidelijk naar jou lonkte. Je slaagt er toch altijd en overal in om de aandacht te trekken van mannelijk gezelschap. Ben ik blij dat ik deze fiere trofee mee mag naar huis nemen.” Ken glimlacht plagend en neemt speels haar linkerhand vast. Hij is eerder introvert en verlegen, en rekent vaak op Jasmine om initiatief te nemen.

“Doorzichtige vleier! Die man is een vijftiger. Die kijkt verlekkerd, telkens als er een jong wicht even binnenkomt. Hij zou beter meer zorg dragen voor de keuken. Die steak was niet te vreten. Waarschijnlijk van een oude koe, die palliatieve zorgen is toegediend.” Jasmine laat zich niet zomaar inpalmen door het gefleem. Ze neemt nooit een blad voor haar mond, maar is een extraverte waaghals.

Beiden gniffelen zoals verliefde pubers. Plots horen ze een ronkend geluid dat afkomt. Hun zwevende roes maakt plaats voor harde ernst en ze reppen zich naar de berm langs de rivier, waar het waterpeil laag staat door een lange periode van aanhoudende droogte. Hier heerst er normaal weinig drukte en zeker op dit avondlijke uur. Ze wachten af en zien een bruine bestelwagen in vliegende vaart voorbij vlammen. Door de snelheid van het voertuig kunnen ze niet ontwaren wie er achter het stuur zit.

Het verloofde paar schudt bedenkelijk het hoofd en vraagt zich af wie het waagt om in deze idyllische omgeving zo’n roekeloze snelheidskoers uit te voeren. Ze laten het voorval voor wat het was en zetten hun tocht verder. De toon wordt terug vrolijk en ze delen leuke momenten die ze samen beleefd hebben.

Tot Ken plots opschrikt. Boven het veld verschijnt een gigantische stropop. Ze torent te midden van de maïszone uit en beheerst duidelijk de hele omgeving als een arend in zijn nest. De aanblik oogt erg griezelig. De versleten, zwartkleurige lompenkledij is typisch die van een landloper op dool. De beige, rieten hoed verbergt gedeeltelijk het gelaat van de strooien romp. Onverwacht vliegen er enkele gitzwarte kraaien voorbij de weinig sympathiek ogende bewaker van de graanvruchten. Met zijn kunstmatige armen langs beide zijden vastgebonden aan een meterslange, houten stok, lijkt hij wel op een gekruisigde.
Ook de durfal Jasmine is even uit het lood gelagen. Beiden verkeren ze nog onder invloed van de alcoholrijke aperitief en maken zich snel uit de voeten. Na het bizarre incident met het voorbij razende voertuig lijken ze zich toch niet meer zo op hun gemak te voelen. Ze versnellen hun tred.

Tot ze ineens geritsel lijken te horen in het onoverzichtelijke veld aan de zijkant. Konijnen, vogels of….? Ze houden beiden even halt en angstvallig hun adem in. Het is een tropische avond en de wind is ondertussen gaan liggen. Er is geen geluid te horen en de schemering treedt langzaam in. De plek is heel verlaten en aan de andere kant van het wandelpad prijken enkele knotwilgen als voorportaal van verlaten weiden die uitmonden in een horizon van bossen.

“Ik heb het gevoel dat er ons iemand bespiedt, Ken. Ik vertrouw het hier niet meer. Laat ons snel terugkeren naar de dorpskom!” Angst lijkt de zelfzekere Jasmine te besluipen. Ze heeft een zesde zintuig voor naderend onheil en dan verliest ze ook haar koelbloedigheid.

“Hebben we niet teveel geestrijk vocht binnen? Dit heeft een impact op onze zintuiglijke waarnemingen.” Ken probeert haar te sussen, maar kan niet beletten dan hem ook een gevoel van onbehagen besluipt.

Jasmine draait zich impulsief om en lijkt iets in de verte te zien, dat op een weinig vriendschappelijke wijze toenadering zoekt. Ze grijpt Kens arm vast en sleurt hem zonder aarzeling mee in het maïsveld. Ken is verbaasd door haar bruuske manoeuvre en denkt dat ze zin heeft in een erotisch spelletje met een opwindende achtervolging tussen de duizenden bladeren. Hij wil overgaan tot een enige intimiteit via een zoen, maar zij snoert hem brutaal de mond.

“Er is hier iets of iemand en deze of dit heeft geen goede bedoelingen. We moeten low profile houden.” Fluisterend maant ze hem aan tot stilte en oplettendheid.

“Maar wat kan er hier nu gebeuren? We zijn op de gezellige boerenbuiten, niet in de moordende stad.” Ken laat zich niet zomaar van zijn stuk brengen door deze onheilsprofetie.
Er volgt een ruisende beweging van takken en bladeren in de richting van de wandelaars. Net alsof iets of iemand tot bij het jonge tweetal komt.

“Weg, nu! Lopen!” Jasmine geeft hem een por in de rug en baant zich een weg door deze Vlaamse rimboe.

“Je meent het niet? In dit wespennest?” Ken heeft de tijd niet om veel op adem te komen. Hij volgt als op commando het hazenpad van zijn geliefde.

Ze duwen de planten opzij en voelen het striemen van de bladeren tegen hun wangen en ledematen. Zo gaat de tocht een heel eindje verder. Het lijkt een vervelend hindernissenparcours en hun schoeisel doet de aardegrond opstuiven. Tot Ken plots even buiten adem is en daardoor het spoor van Jasmine kwijt lijkt te zijn. Ze rent zoals een opgejaagde hinde en wil gedreven ontsnappen, alsof haar leven ervan afhangt. Ken voelt zich uitgeput door de gevulde maag na de copieuze maaltijd en wil even bekomen. Hij hoort of ziet niets meer. Het blijft adembenemend stil.

“Jasmine! Waar ben je?” Even stoot hij een schorre kreet uit. Hij wil weten waar hij heen moet om haar te kunnen volgen. De gevangenis boezemt onzekerheid in. Hij is omgeven door een duizelingwekkende rij van stammen met voedzame producten hangend tussen het loof. Er volgt geen antwoord en hij wrijft suf over zijn hoofd. De hitte in combinatie met alcohol zorgen voor duizeligheid.

De maan betreedt langzaam de traplift van het uitspansel naar de nachtelijke troon, waar vanaf 10 uur sterren fonkelen als haar trouwe onderdanen.

Er weerklinkt een door merg en been snijdend geschreeuw uit de wildernis. De eenzame, verduisterde omgeving geeft een extra akelige dimensie aan dit getier. Het wanhopige gehuil, afkomstig lijkend zoals van wild in hevige doodsstrijd, houdt ineens op en maakt plaats voor sereniteit in deze biologische habitat. Enkele krassende kraaien verlaten klapwiekend het onzalige oord en zoeken een nachtverblijf op. De weinig amicaal ogende stroman beheerst de gigantische gewassenbiotoop. Was dit schijnbaar levenloze wezen getuige van een bloederig drama dat zich heeft afgespeeld op deze fertiele, maar tegelijk bijna ontzielde oppervlakte…?

Binnenkort het vervolg

Schrijf een opmerking…

StatusFoto/video